Hunebedden in verhouding

Over oriëntatiepatronen bij hunebedden (in Europese contekst)

Markeringen

Op deze website worden vlakken, hoeken en prismavormen, die een oriëntatie ondersteunen, aangeduid met de verzamelnaam ’markering’. Markeringen vervullen samen met diagonalen en trilithon-poortjes een belangrijke functie om de oriëntaties in een hunebed te verduidelijken. Zij sluiten aan bij het argument van de herkenbaarheid van de wijze van de oriënteren in hunebedden (zie onder Verantwoording). Markeringen nemen een zelfstandige plaats in ten opzichte van de geometrische vormen. Markeringen vallen op. Wie de stenen van hunebedden bekijkt, herkent ze meteen, omdat ze de algemene vorm ‘verstoren’. Ondanks de erosie kan de grens tussen een bewerking en de onverstoorde vorm na 5000 jaar nog steeds worden herkend.

Steentextuur herkennen

De steen op de linkerfoto ligt in hunebed D14. Aan de bovenkant is de steen glad en bol door erosie. Links voor ziet de steen er ruw en gebobbeld uit, omdat hij daar is gebroken. Dit moet ruime tijd geleden zijn gebeurd, omdat de bobbels zijn afgesleten. Ook de rechter zijde kan door splijting zijn ontstaan, maar de ruwe structuur is verdwenen. Het vlak is strak afgewerkt met een kuiltjespatroon van regelmatige diepte en afmeting. Een voorbeeld van recente afslag vinden we in D36 (rechter foto). Daar zijn nog duidelijk scherpe randen aanwezig.

Hoewel op een foto de rechterkant van de steen in D14 echt vlak lijkt, blijken daar toch oneffenheden in aanwezig. Met behulp van Dense Surface Modeling kunnen meerdere foto’s van een object worden samengevoegd tot een 3D-model. In het model hieronder zitten langgerekte oneffenheden van ongeveer dezelfde breedte (binnen de blauw omlijnde gebieden). Dit gecombineerd met het kuiltjespatroon doet denken aan een techniek die ’packing and rubbing’ wordt genoemd. De gebobbelde linkerkant is door splijting met behulp van dynamietstaven ontstaan. Hierin valt geen patroon te herkennen.

D14: waarschijnlijk een deel van een deksteen. Links voor zitten bovenin halfronde uitsparingen, vanwege de boorgaten voor dynamietstaven. Op deze wijze is de steen redelijk recht doormidden gebroken.
Links: In de blauw omlijnde gedeeltes lopen enkele sleuven van boven naar beneden - ± 2 mm diep, 12 cm breed en 25 cm lang.
Rechts: In de beginstand wordt de steen van boven getoond. Daarna draait hij zoekend naar een stand, waarbij de sleuven te zien zijn. Even later draait hij verder op zoek naar een dergelijke situatie links voor, maar vindt die niet. Na de splijting is het vlak niet verder bewerkt. Tenslotte draait hij weer naar de beginstand.

Markeringen herkennen

Markeringen komen verspreid en in wisselende situaties voor. De initiële waarneming betrof de groepjes hunebedden uit de Introductie. Hier ondersteunen markeringen de onderlinge oriëntatie van de hunebedden. Later bleken dezelfde markeringen bij enkele vergrote dolmens een ander type oriëntering te vertegenwoordigen. Daar ondersteunen zij de vorm van de kelder. (Zie de pagina Oriëntatierooster.) Bijvoorbeeld wordt een prismavormige markering in hunebed D38 aangetroffen om de oriëntatie op D40 exact vast te leggen en in het vergrote dolmen van Frauenmark in Mecklenburg (Schuldt 632) om een oriëntatielijn uit het kelderpatroon te verhelderen. Daarmee strekt de verspreiding van deze markering zich over maar liefst 400 km uit – een gebied, dat meerdere cultuurstijlen uit het Neolithicum omvat.

In het kader van deze studie is het onzeker of de verspreiding van markeringen zich ook naar het zuiden uitstrekt. In de Franse Ardèche werd één situatie aangetroffen, die dit wel doet vermoeden. Het betreft twee dolmens van de ’la Devèze’-groep, die maar 13 meter van elkaar verwijderd liggen. In het ene dolmen bevindt zich een restant van een ???? (gat met een diameter van ±15 cm), terwijl het andere dolmen een uitzonderlijk fenomeen bezit: een halve ????. Beide blijken horizontaal (d.w.z. waterpas) te zijn uitgelijnd op de zuidelijke grote maanstilstand. Omdat het hier één enkele waarneming betreft, mogen er geen conclusies aan worden verbonden.

Uit deze studie komen zo drie soorten markeringen naar voren: afvlakkingen, prisma’s en dubbelvlakken. Met afvlakkingen worden overigens niet de vlakke kelderkanten van de draagstenen bedoeld. Daarover zijn te weinig gegevens verzameld om er een uitspraak over te doen. Afvlakkingen vallen juist op aan de bolle buitenkanten van de draagstenen.

Afvlakkingen

Vlakke zijkanten en achterkanten van stenen wijzen op de ondersteuning van een oriëntatielijn. De oriëntatielijn loopt langs het vlak. Deze markering wordt onder andere gebruikt om parallelle oriëntatielijnen mee aan te duiden. Uiteraard kunnen de vlakken door natuurlijke invloeden zijn ontstaan, maar dan nog blijft het gebruik als markering overeind. Afvlakkingen komen veelvuldig voor. Enkele opvallende zijn D25-Z1, D25-Z2, D40-Z1 en D40-Z2, die op dezelfde plaats in het hunebed dezelfde functie vervullen. Soms is er sprake van een afgevlakte hoek, die wordt gebruikt om een oriëntatielijn doorgang te verschaffen. Vaak is deze minder net afgewerkt. Deze laatste kunnen problematisch zijn, omdat ze niet altijd van latere afslag te onderscheiden zijn.

Prisma’s

Prismavormige markeringen zijn zeker door de mens aangebracht. Omdat we een aantal prisma’s ook onder het maaiveld aantreffen, mag worden aangenomen dat ze onderdeel van het oorspronkelijke hunebed vormen en niet later zijn aangebracht. Prisma’s komen op twee manieren voor: als uitstulping en als inkeping. Wanneer een prisma over de hele breedte van een steen is vormgegeven, kan het ook een dubbelvlak betreffen. Waar afvlakkingen de exacte richting van een oriëntatielijn ondersteunen, bepaalt de prisma het exacte aangrijpingspunt van zo’n lijn. Prisma’s worden aangetroffen bij: D6-Z2, D38-Z4, D39-Z2, D40-Z2 en het dolmen te Frauenmark.


Klaarblijkelijk bediende de neolithische mens zich van algemeen herkenbare tekens met een specifieke functie. Het is opmerkelijk, dat markeringen in steen werden weergegeven. Dit lijkt bewerkelijker dan het aanbrengen ervan met verfstoffen. Voor zover bekend, is er bij hunbedden nooit naar pigmenten gezocht en het is maar de vraag of ze na 5000 jaar nog sporen zouden nalaten. Een keuze voor het aanbrengen in steen ligt in die zin ook het meest voor de hand.