Hunebedden in verhouding

Over oriŽntatiepatronen bij hunebedden en vergrote dolmens

De website is gewijzigd. Dit is nog een oude pagina. Klik hier voor de nieuwe pagina.

Eerder onderzoek

Er is in Nederland maar weinig onderzoek gedaan naar de oriŽntatie van hunebedden. Vier onderzoeken springen eruit:

  • 1929, van Giffen, De hunbedden van Nederland [1].
  • 1997, Reijs, www.iol.ie/~geniet.

  • 2003, Gonzalez-Garcia en Costa-Ferrer, Possible astronomical orientation of the Duch hunebedden (SEAC 9)

  • 2004, Langbroek, Huilen naar de maan (PIT nr. 2)

  • Alle onderzoeken richten zich op de lengteas-oriŽntatie en er zijn alleen trends onderzocht. Gonzalez-Garcia en Costa-Ferrer onderzoeken ook de oriŽntatie van de poort. Onderzoek naar het verband tussen de structuur van hunebedden en hun oriŽntatie zijn niet bekend. Wel heeft Langbroek de onderlinge oriŽntatie van enkele hunebedden in zijn onderzoek betrokken.

    Het onderzoek van van Giffen

    In zijn survey van 1925-1927 heeft van Giffen van alle hunebedden de oriŽntatie gemeten. Dit is het eerste systematische onderzoek. Bij de nauwkeurigheid van de metingen moeten vraagtekens worden gezet. Van Giffen schrijft zelf, dat het moeilijk was om exacte metingen te verrichten. Hij ervoer het gemis van een geschikt instrument en constateert dat de lengteas nooit nauwkeuriger dan op een paar graden kan worden vastgesteld [2]. Met zijn tweede punt sluit hij aan bij de visie van Hoskin (zie pagina Verantwoording). Verder past van Giffen een declinatie van 13Ĺį westelijk toe [3], wat waarschijnlijk enkele graden aan de ruime kant was. De gegevens leveren een algemeen beeld, maar zijn minder geschikt voor verdere bestudering.

    Het onderzoek van Reijs

    Reijs baseert zich op eigen metingen. Omdat de oriŽntaties van de meeste hunebedden binnen de +/- 25į rond de equinox te vinden zijn, vermoedt Reijs in eerste instantie een oriŽntatie op de volle maan rond lente-en/of herfstpunt (+/- 26į). Vervolgens past hij twee statistische methoden toe om de werkelijke spreiding van de oriŽntaties met elkaar te vergelijken. In beide gevallen moet de hypothese worden verworpen.

    Het onderzoek van Gonzalez-Garcia en Costa-Ferrer (GG&CF)

    De onderzoekers gaan uit van eigen metingen. GG&CF vinden in hun onderzoek naar de oriŽntaties van de poorten een statistiche dubbelpiek om het zuiden. De pieken vertegenwoordigen de opkomst en ondergang van een hemellichaam met een declinatie van ongeveer -35į. Verder vermelden ze dat de lengteas-oriŽntaties voor 83% tussen de zonnewendes en voor 88% tussen de extremen van de maan liggen.

    Het onderzoek van Langbroek

    Langbroek probeert tot een interpretatie van de gegevens uit de survey van van Giffen te komen (via van Ginkel). Ten eerste concludeert hij, dat een bepalende inlvoed van de Hondsrug onwaarschijnlijk is. Op aangeven van Rossenberg onderscheidt Langbroek twee typen oriŽntaties: oriŽntaties op de horizon en onderling afhankelijke oriŽntaties. Voor het eerste type komt hij tot de conclusie dat de hunebedden op de opkomende maan georiŽnteerd staan. 88% van de oriŽntaties bevinden zich tussen de noordelijke en zuidelijke kleine maanstilstand. Uit de data blijkt dat eenzelfde verdeling geldt voor de solstitia, maar dat wordt niet vermeld. Omtrent de onderlinge oriŽntatie van hunebedden doet Langbroek geen uitspraken. Ook niet op welke gronden hij de betreffende hunebedden selecteerde. Evenmin worden van de oriŽntaties op de horizon degenen buiten de grote maanstilstand verklaard.

    Wanneer het onderzoek van Langbroek wordt herzien met de oriŽntaties bij GG&CF, verandert het beeld nauwelijks. Nog steeds voldoet 86% aan een oriŽntatie op de maan. Overigens vervalt de zeggenskracht van de scheiding tussen al dan niet op elkaar georiŽnteerde hunebedden, omdat GG&CF 88% van de oriŽntaties tussen de maanextremen vinden. Geen van de anomalieŽn bij Langbroek laat zich verklaren met de door GG&CF gevonden dubbelpiek om het zuiden.